Posts Tagged With: Nederlands

Corregidor Island – Een Held, een Hippie en de Eer van de Samoerai: Onoda’s lange Oorlog

De skyline van Manila wordt snel kleiner. Ik ben aan boord van een ferry die als een opgevoerde tractor de baai doorploegt. Bestemming: Corrigedor Island, het voormalig fort eiland van de Spanjaarden en sinds 1898 de Amerikanen. De beroemde generaal Douglas MacArthur gebruikte het eiland als geallieerd hoofdkwartier in de Tweede Wereldoorlog. De Amerikanen vertraagden de Japanse opmars maandenlang tot ze op 6 mei 1942 de Slag om Corregidor verloren. Nu is het eiland een openlucht museum over de Pacific War. Het heeft een hotel, maar verder woont er niemand. Het is heilige grond voor de Filippijnen en de Amerikanen na hun overwinning op de Japanners. Aan de Spanjaarden, die er meer dan drie eeuwen de wacht hielden, denkt niemand meer.

Bij aankomst stap ik met J. en de andere passagiers in een wachtende bus. Een vrolijke gids begint uitbundig wetenswaardigheden op te sommen. Ik blijf meteen bij zijn eerste feitje hangen als hij naar het naburige eiland Lubang wijst. “Daar werd in 1974 een Japanse soldaat gevonden die nog in de waan verkeerde dat het oorlog was.”

Zicht op Lubang vanaf Corregidor

Dertig jaar in de jungle…  

Het veroorzaakt een knetterende verbinding tussen een paar geisoleerde hersencellen. Een verre herinnering borrelt op. Als kind zag ik dit op TV. Een oude Japanse soldaat die al jaren een niet bestaande oorlog voert. En hier was het dus gebeurd.

Het verhaal begint in 1970, twee jaar eerder, met de jonge Japanse avonturier, ontdekkingsreiziger en hippie Norio Suzuki. Hij studeert economie maar besluit al gauw iets anders te doen met zijn leven. Hij maakt een wereldreis en als hij terugkeert naar Japan, vindt hij geen rust. Hij wil iets bijzonders doen. Maar wat?

In 1972 leest hij een merkwaardig nieuwsbericht. Twee Japanse keizerlijke soldaten zijn neergeschoten op een Filipijns eiland, nadat ze voedsel stalen en een boerderij in brand staken. Eén is op slag dood, maar de andere, Hiroo Onoda, slaagt er in te ontkomen. De twee hadden in de oorlog deel uitgemaakt van een inlichtingen cel van vier militairen. Een had zich overgegeven in 1949, en in 1954 werd een ander door de lokale politie doodgeschoten.

Suzuki legt de krant terzijde en verkondigt trots aan familie en vrienden dat hij Onoda terug gaat halen naar japan. En dat is niet alles. Daarna zal hij de waarschijnlijk uitgestorven reuzenpanda vinden, om daarna het bestaan van de Verschrikkelijke Sneeuwman te bewijzen.

Wow…  

In 1974 vertrekt hij op zijn 3-traps expeditie. Wat niemand gelukt is, lukt Suzuki in nog geen week tijd. Hij vindt de schuilplaats van de verstokte soldaat, maar ook de loop van zijn geweer. Recht onder zijn neus.

Suzuki laat zich niet zomaar wegjagen. Hij spreekt hem aan in het Japans: “Onoda-san, de keizer en het volk van Japan maken zich zorgen om je.” Later herinnert Onoda zich het voorval nog levendig. “Deze hippiejongen Suzuki kwam naar het eiland om naar de gevoelens van een keizerlijk soldaat te luisteren. Hij vroeg me waarom ik niet terug naar Japan wilde komen. Wel, ik geloofde hem niet. Ik wist zeker dat de oorlog nog gaande was want ik zag regelmatig Amerikaanse bommenwerpers overvliegen.” Maar die bleken actief in andere oorlogen, namelijk de Koreaanse oorlog in de jaren vijftig, en de oorlog in Vietnam in de jaren zestig en zeventig.

Snapshot van Suzuki met Onoda

Onoda weigert zich over te geven. “Ik ben een soldaat en blijf trouw aan mijn plichten.” Onoda stamde uit een Samoerai familie met een sterk eergevoel. Voor vertrek naar het slagveld ontving hij van zijn moeder een dolk om zelfmoord te plegen als hij gevangen werd genomen. Zo ging dat dus in die tijd… Hij bleef waar hij was, maar liet Suzuki toch gaan. Die beloofde terug te komen met bewijs dat de oorlog afgelopen was. 

Suzuki waarschuwt de Japanse ambassadeur, die in Tokyo snel een drietal oude strijdmakkers van Onoda laat optrommelen. Bij de rand van de jungle, waar Suzuki de oude soldaat eerder had ontmoet, zingen de veteranen uit volle borst een aantal strijdliederen. Daarna draaien ze een bandopname af met een smeekbede van Onoda’s inmiddels 86-jarige moeder. „Jongen, kom alsjeblieft thuis nu ik nog leef.”

Maar Onoda blijft in het oerwoud. Hij roept dat alleen zijn officier Taniguchi hem daartoe opdracht kan geven. Deze inmiddels hoogbejaarde majoor wordt opgespoord en gevonden in een stoffige boekhandel. De ex-majoor had inderdaad de toen 21-jarige Onoda, na zijn opleiding op het befaamde Nakano spionageinstituut, met zijn drie inmiddels overleden kameraden naar Lubang gestuurd voor inlichtingen operaties. Taniguchi had ze bevolen hun missie voort te zetten en zich nooit over te geven. Zelfs niet als de Japanse troepen werden verslagen.  

Ook Taniguchi verschijnt met een loudhailer op het strand. Achter hem staat een delegatie waaronder de ambassadeur en een Filipijnse generaal. De oude majoor beveelt Onoda zich te melden bij zijn commandant. Onverwijld! Hiroo hoort het aan vanuit zijn schuilplaats, een tentje van bijeengeraapte rommel. Hij inspecteert zijn Arisaka 99 geweer, trekt zijn laarzen aan en steekt zijn katana aan zijn zijde. In een gescheurd en tot de draad versleten militair tenue marcheert Onoda het strand op en meldt zich af bij zijn meerdere. De majoor maakt aan alle twijfel een einde en neemt zijn geweer in beslag.

De Japanse ambassadeur deelt hem mee dat de oorlog ‘al enige tijd’ ten einde is. In Manilla overhandigt Onoda op plechtige wijze zijn katana zwaard aan President Marcos, die hem toefluistert dat hij hem gratie verleend. De bewoners van Lubang zijn niet gelukkig met deze gang van zaken. De vier Japanse soldaten hebben over de jaren meer dan 30 eilandgenoten gedood. In vredestijd nota bene. Marcos wuift dat weg – de Japans-Filipijnse samenwerking heeft prioriteit – en verleent pardon. De president gaat op de foto met een broederlijke arm over de schouders van Onoda. In Japan stijgt de populariteit van beide heren ongekend.

In Tokyo wordt hij als een oorlogsheld binnengehaald door duizenden landgenoten. Maar het komt niet meer goed tussen Japan en Onoda. Zijn land is veranderd. Hij voelt zich als een beest in de dierentuin. Overal wordt hij aangestaard, aangesproken en soms zelfs uitgelachen. Van een tropisch oerwoud was hij terecht gekomen in een jungle van koud asfalt. Binnen een jaar vertrekt hij naar Brazilië, ondanks dat hij tientallen huwelijksaanzoeken ontvangt.

“Japanners vonden me egoïstisch. Meer dan dertig jaar had ik mijn land gediend, maar sinds 1945 nooit enig salaris of een nabetaling van m’n regering gekregen. Ik had geen geld, geen werk, geen inkomen.” Binnen vijf jaar stampt Onoda een boerderij met vierhonderd koeien uit de Braziliaanse klei. Het klimaat is vergelijkbaar met dat van de Filippijnen. Hier voelt hij zich thuis. Onoda sterft in 2014, op 92-jarige leeftijd, tijdens een bezoek aan Japan. Dat wel.

Maar hoe liep het af met Suzuki?

Nadat hij Onoda had gevonden, ging hij op zijn volgende missie. In een verlaten berggebied in China vindt hij inderdaad de nagenoeg uitgestorven reuzepanda. Maar dat hadden de Chinezen zelf ook al gedaan. Toch streept hij die tevreden van zijn bucketlist. Hij beschouwt het als een opwarmer voor het echte werk: het vinden van de Verschrikkelijke Sneeuwman.

In juli 1975 beweert hij de legendarische yeti van een afstand gezien te hebben tijdens een expeditie in het Dhaulagiri- gebergte. Dan blijft het lange tijd stil. In 1987 komt hij weer in het nieuws. Zijn lichaam is gevonden op een berghelling in de Himalaya. Hij is bedolven onder een lawine tijdens een van zijn vele zoektochten…

De bus arriveert op de verlaten Amerikaanse legerbasis in het centrum van het eiland, waar een handvol vreemde verhalen mij opwachten.

Generaal Douglas MacArthur’s beroemde woorden:
I Shall Return

Categories: Gadgets | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Erasmus’ Wonderlijke Avontuur in Japan

Een paar weken gelden bezocht ik het Maritiem Museum in Rotterdam. In de centrale hal, hoog tegen een muur vol scheepsattributen, stond een beeld van Erasmus. Niet vreemd, want de beroemde humanist komt immers uit Rotterdam. Maar wat deed zijn beeld in een Maritiem Museum? De goede man heeft namelijk niets van doen met de zeevaart. Bovendien was het niet eens een echt beeld, maar een kopie van nog geen meter hoog. Ik wilde weten hoe het zat, en dit is het verhaal.

Het begon op een mooie lenteochtend van het jaar 1919 in Tochigi, een streek ten noorden van Tokyo. Een Japanse archeoloog deed daar tijdens een routinebezoek aan een eeuwenoude tempel een verrassende ontdekking. Tussen de Japanse relikwieën ontdekte hij een mysterieus houten standbeeld, dat in het geheel niet leek op een boeddhistisch figuur. Het was de beeltenis van een man gehuld in gewaden, met een boekrol in zijn rechterhand.

Volgens de tempel oudste stond het beeld bekend onder de naam Keteki Sama, en werd het vereerd als een symbool van wijsheid en culturele uitwisseling. De monniken geloofden dat het beeld één van de vier legendarische Chinese uitvinders voorstelde. Dit misverstand was ook zijn redding: het beeld ontkwam aan de furie van een 17e-eeuwse shogun die alle Westerse heiligenbeelden liet vernietigen nadat hij de Portugezen uit zijn land had verjaagd.

Maar dit beeld leek helemaal niet Chinees, ook al stond het sinds mensenheugenis in de tempel. De archeoloog nam het beeld mee naar Tokyo voor verder onderzoek. Wetenschappers, historici en kunstexperts bogen zich over de inscripties op de boekrol en het verfijnde houtsnijwerk van het beeld. In 1926 kwam het resultaat van hun onderzoek eindelijk naar buiten: de half leesbare letters op de boekrol en het jaartal 1598 bevestigden dat dit beeld niemand anders dan de beroemde Nederlandse humanist Erasmus voorstelde.

Desiderius Erasmus (1466-1536) was een Nederlandse geleerde, theoloog en humanist uit Rotterdam, beschouwd als een van de grootste denkers van zijn tijd. Hij was een vurig pleitbezorger voor onderwijs en intellectuele vrijheid en zijn denken had een diepe invloed op de ontwikkeling van de Europese cultuur. Maar hoe was zijn beeld in hemelsnaam ooit belandt in die afgelegen tempel in Japan?

De Japanse onderzoekers legden het graag uit. Alleen de Nederlanders waren honderden jaren lang de enige buitenlandse handelaars die toegang kregen tot Japan. Ze bewoonden van 1642 tot 1854 de kleine handelspost Deshima in de Baai van Nagasaki. Maar het beeld bleek veel ouder te zijn, en het was dus veel vroeger in Japan aangekomen.

Eind 16e eeuw zochten Hollandse handelscompagnieën de zeeweg naar Indie. Willem Barends probeerde het via Nova Zembla, Henry Hudson probeerde het bovenlangs Canada, en Cornelis de Houtman voer in 1595 via Kaap de Goede Hoop naar het oosten. In de zomer van 1598 vertrokken vijf schepen van de Rotterdamse Compagnie naar Oost-Indië. Zij voeren via Kaap Hoorn rondom Zuid-Amerika door Straat Magellaan, waar de vloot uiteen viel.

De Trouw bereikte de Grote Oceaan en landde op het eiland Tidore in de Indische archipel, waar de meeste bemanningsleden door de Portugezen werden gedood. De Blijde Boodschap liep door gebrek aan voedsel de Spaanse haven Valparaíso (nu Peru) binnen. Het schip werd in beslag genomen en de bemanning belandde in de gevangenis. Het Geloof keerde terug naar Nederland met een gedecimeerde bemanning. De Hoop, het vlaggenschip van de vloot, verging ondanks haar naam met man en muis op de Grote Oceaan. Maar na een uitputtende reis van bijna twee jaar, geteisterd door stormen, ziektes en voedseltekorten, bereikte De Liefde met slechts 23 overlevenden (van de 110), het eiland Kuroshima in japan.

William Adams, de Engelse stuurman, speelde een cruciale rol tussen de Nederlanders en de Japanners. Hij groeide uit tot een vertrouweling van Tokugawa Ieyasu, die later shogun van Japan zou worden. De kennis en vaardigheden van Adams maakten grote indruk. Ook op de invloedrijke samoerai Shigesato Makino, waar Adams mee bevriend raakte. De bestseller en huidige Tv-serie Shogun zijn gebaseerd op deze historische personages.

Adams adviseerde de krijgsheer in Westerse oorlogs- en wapentactieken. Het wrak van de Liefde werd leeggehaald, met name de wapens en kanonnen. Daarna werd het schip gesloopt voor brandhout. Op de achterkant van De Liefde stond een hekbeeld. Makino, die bekend stond om zijn verzameling exotische en unieke artefacten, was meteen geïnteresseerd. Hij zag het eikenhouten beeld van Erasmus als een waardevolle toevoeging aan zijn collectie. En Adams gaf hem het beeld cadeau.

Het beeld reisde nog vier keer heen en weer tussen Rotterdam en Tokyo. In 1936 stond het in Museum Boijmans Van Beuningen tijdens de Erasmustentoonstelling. In 1954 reisde het mee met een bezoek van de Japanse kroonprins Akihito. In 1969 kwam het nogmaals retour ter gelegenheid van de viering van het geboortejaar van Erasmus. De laatste tentoonstelling vond plaats in het Maritiem Museum tijdens een expositie over Nederlanders in Nagasaki. Toen schonken de Japanners ook de replica die ik dus onlangs bewonderde. En zo was de cirkel rond.  Toch rest er nog één vraag. Wat deed Erasmus op het houtsnijwerk op de spiegel van De Liefde? Dat werd in nederland verklaard. De vijf schepen van de Rotterdamse Compagnie kregen de namen Blijde Boodschap, Trouw, Geloof, Hoop en… De Erasmus? Dat klonk niet bijbels genoeg. De Erasmus kreeg een nieuwe naam en werd omgedoopt tot de Liefde.

 Als verlicht humanist overleefde hij twee beeldenstormen en werd eeuwenlang vereerd als een Boeddhistische wijze in een Japanse tempel. En nu staat hij als verbinder van culturen van oost en west te boek in het museum van Tokyo en ls replica in Rotterdam. Ik denk dat Erasmus, die naast een scherp intellect ook een man van humor was, de ironie van deze grootse verwarring best had kunnen waarderen.

Categories: Ontdekkingen, Reizen, Standbeelden | Tags: , , , , , , , , , , , ,
 
 

Ontdek de verborgen geschiedenis van Teddyberen en hun wereldwijde invloed

Na jaren in het buitenland gewoond te hebben, bezocht ik een enorm kleurloos gebouw in een grauw industriegebied in Rotterdam. Op deze plek lagen al die tijd mijn persoonlijke spullen opgeslagen. Ik had alleen een sleutel en een pincode om binnen te komen. En dat was nodig ook, want er was in geen velden of wegen iemand te bekennen. Het leek een 24/7 onbemand, maar streng bewaakt fort. Het was avond en stil.

Eng.

Ik reed door tot aan het hek en voelde me bespied door de vele camera’s. Ergens hield iemand me in de gaten. Op een klein toetsenbord typte ik de code in en waarachtig; het hek verdween langzaam in de muur. Voor me sprong een licht op groen. Ik mocht doorrijden.

Binnen parkeerde ik mijn auto in een centrale plaats.  Elke hoek en zijde zag ik gangen die in de duisternis verdwenen. Voor mij stond een rij in elkaar geschoven karren voor het vervoer van een partij dozen of meubels. Ik pakte er een en ging op weg naar box 215, het nummer dat op mijn sleutel stond. Ik duwde de kar voor me uit door een nauwe, onverlichte gang, waar lampen pas aan knipperden als ik er onder liep, om dan achter mij weer net zo snel te doven. Het was stil.

Onheilspellend stil.

Alle muren waren van beton, de vloerplaten van ijzeren roosters. Elke deur was voorzien van een nummer. Als in een gevangenis. De sleutel paste op deur 215, die luid open klapte. Metaal op metaal echode steeds verder weg door de donkere gangen.

In de kleine opslag stonden mijn verhuisdozen tot aan het plafond opgestapeld. In een hoek stonden nog een fiets, een fitness apparaat en een bureaustoel. Het voelde als een aflevering van Storage Wars, waar de inhoud van opslagruimtes worden geveild omdat de eigenaar de huur niet meer betaald, of spoorloos verdwenen is. De veilingmeester knipt het slot door en de opkopers mogen een zuinige blik naar binnen werpen om een volledig uit de lucht gegrepen schatting van de waarde te maken. De bieders zoeken naar aanwijzingen die duiden op een verborgen schat aan waardevolle artefacten. Hun ogen scannen de dozen als een metaaldetector waarna het onderbuikgevoel ze een maximum bod ingeeft. Meestal komt er alleen maar ouwe rotzooi uit.  

In mijn dozen zaten voornamelijk boeken, uit de tijd geraakte DVD’s en CD’s, decoraties en vergeten dingen uit een ver verleden. Ik had me voorgenomen elke dag een stuk of acht dozen mee te nemen en deze thuis uit te pakken, te beoordelen en vervolgens te verkopen, weg te gooien, of nog langer te bewaren. Ik plaatste de eerste loodzware dozen vol boeken op de kar. De volgende doos was onverwacht licht waardoor ik bijna omtuimelde. Ik opende de flappen en zag een doos vol jeugdherinneringen. Honderden plastic soldaatjes in sigarendozen van een niet langer bestaand merk, een paar zakken knikkers, een stapel schriften, schoolrapporten en fotomapjes.  En daar, tegen de kartonnen wand geklemd, herkende ik hem.

Ted.

Mijn Teddybeer.

Voorzichtig pakte ik hem eruit. Hij was kleiner dan ik dacht, nog geen 15 centimeter groot. De ooit zo zachte goudgele pluchen vacht was nu wat stekelig. Op sommige plekken was de stof versleten. Teds neus en mond waren geborduurd met een zwarte draad, waaruit een stukje rode stof als zijn tong naar buiten stak. Zijn oren waren duidelijk herkenbaar, maar zijn ogen zag ik niet. De bruine kraaltjes hadden losgelaten. Maar al met al had Ted nog steeds die vertrouwde vriendelijke uitstraling. Zijn korte ledematen waren nog steeds flexibel. Hij kon staan en zitten.

‘Zo Ted,’ sprak ik hardop. ‘Hoe gaat het met jou?’

Ted zij niets. Een vreemd gevoel maakte zich van mij meester. Ik keek even de gang in.

Niemand.

‘Sorry dat ik je al die jaren in een oude doos heb laten zitten.’

Het kwam helemaal vanzelf, die zin. En ik meende het. Deze knuffel was mijn eerste bezit. Volgens de overlevering had ik hem gehad van een collega van mijn vader ter gelegenheid van mijn geboorte. Ted was dus net zo oud als ik. Lang was ik er van overtuigd dat hij naar mij vernoemd was, want al mijn buurtvriendjes noemden mij van kinds af aan Tet. Met een T. Dat was mijn bijnaam, afgeleid van mijn achternaam. Inmiddels weet ik beter. Ted was een afgeleide van Teddybeer. Ik had hem zelf dus Ted genoemd.

Maar waar komt de naam Teddybeer eigenlijk vandaan?

Dat zocht ik thuis uit. En het bleek een bijzonder verhaal.

Het begon in het jaar 1902 in Amerika, in de zuidelijke staten Louisiana en Mississippi. Hier was President Theodore Roosevelt stralend middelpunt van een meerdaagse jachtexcursie. Het sjieke gezelschap zat niet zomaar achter wat wild aan. Nee. Roosevelt zocht groot wild in zijn vizier.

Een zwarte beer.

Het verhaal gaat dat de president boos was, omdat het hem niet lukte om met succes een beer te schieten. De reden daarvan wordt nergens specifiek genoemd. Bleven de beren uit de weg van het luide gezelschap, of was de president onhandig en kon hij niet goed overweg met een geweer? Of schoot hij steeds mis omdat hij niet dichterbij durfde te komen? De bronnen reppen er niet over. Maar nadat de laatste en vijfde dag op zijn einde liep, had hij nog steeds geen beer geschoten. En toch had de president wellicht graag een kop van een opgezette beer aan de muur van het Oval Office willen hangen. Met daaronder een foto van hem met één voet dapper op het wilde beest, het geweer losjes in zijn handen en een pijpje puffend in zijn mond.

Zijn jachtgenoten wilden hem blijkbaar niet zonder die trofee weg laten gaan. En dus had de organisatie van de jachtpartij een zwarte beer met een touw aan een boom gebonden. Ze nodigden vervolgens de president uit om de beer op point blank te executeren. Maar dat vond Roosevelt te gortig. Of te laf. Hij gaf opdracht de beer los te laten. Dus die foto, die kwam er nooit. En die trofee ook niet.

Maar het verhaal kreeg een staartje. Waarschijnlijk door razende reporters die – ook toen al – als paparazzi met een bloknootje in de struiken lagen om een glimp van de president op te vangen. Daags na de jacht verscheen in de Washington Post een spotprentvan Cartoonist Clifford Berryman. Hij tekende Roosevelt in een ranger uniform, met zijn geweer leunend op de grond. Achter hem staat een soldaat die met een stuk touw een bange zwarte beer in bedwang houdt. Naast de president staat geschreven: “Drawing the line in Mississippi.” Het werd een beroemde prent in Amerika. En de president kwam er goed mee weg.

Het inspireerde het uit Rusland afkomstige echtpaar Morris en Rose Michtom, die in Brooklyn, New York een snoepwinkeltje runden, om een speelgoedbeer te maken. Morris noemde het Teddy’s Bear, naar de bijnaam van de president. Teddy, kort voor Theodore. Om de hoogste baas van Amerika niet voor het hoofd te stoten, stuurde Morris een persoonlijke brief naar de president om toestemming te vragen. Die vond het een prima idee. En zo ontstond de Teddybeer. De Michtoms konden al snel niet meer tegen de vraag opboksen. Ze gooiden het snoep uit de winkel, en begonnen een naaiatelier. Vanaf dat moment werd er nog maar één product gemaakt.

Teddyberen.

Maar zoals vaker met uitvindingen, vond tegelijkertijd elders in de wereld hetzelfde plaats. In hetzelfde jaar – 1902 – begon Margarete Steiff, een naaister met een klein speelgoedbedrijf in Duitsland, ook met het produceren van speelgoedberen. Samen met de Michtons ontketenden zij een ware knuffelrevolutie dat leidde tot het beroemdste speelgoed ooit. Massaproductie.

Teddyberen werden zachter en schattiger. Het stroeve houtwol vervangen voor flexibele synthetische vullingen. De beren kregen beweegbare ledematen, en werden voorzien van ingebouwde muziekdozen, en later door mini grammofoons waardoor ze ook nog konden praten.Beroemde beren als Winnie de Poeh en Paddington versterkten de rage. Inmiddels eiste elk kind een Teddybeer, want stond dat niet garant voor een zorgeloze jeugd?

Nee. Niet altijd, weet ik uit eigen ervaring. Ik deelde bed, lief en leed met Ted. Ik vertrouwde hem mijn diepste geheimen toe. Maar zorgeloos? Als kind leefde ik vaak op gespannen voet met mijn middelste broer. Die pestte mij. Of ik lokte het uit. Hoe dan ook, de precieze aanleiding weet ik niet meer, maar op een kwade dag kwam mijn broer vertoornt mijn kamer binnen. Hij trok Ted van de beddenkast en draaide voor mijn ogen zijn kop van zijn pluchen lichaam af. Met een sardonische blik gooide hij de beide stukken van Ted voor mijn voeten en vertrok lachend. Ik barste in tranen uit en pakte de overblijfselen van mijn knuffel met trillende handen bijeen. Teddy was niet meer.

Hij was dood.

Of toch niet?

Ik besloot tot een dramatische reddingsactie. Ik stormde de kamer uit en pakte uit de naaimachine van mijn moeder naald en draad. Met grove steken zette ik zijn hoofd terug op zijn romp. En goed ook, want het heeft nooit meer losgelaten. Even leefde de oude vriendschap weer op. We waren weer een team!

Maar naarmate de jaren verstreken, verdween Ted uit beeld. Letterlijk. Ik vergat van zijn bestaan. Tot dat moment in de opslag.

De opmars van de Teddybeer in de 20e eeuw ging onverminderd door. Het speelgoed kreeg een troostende reputatie. Kijk maar bij gedenkplaatsen waar een kind is omgekomen, of waar onschuldige slachtoffers zijn gevallen. Daar worden teddyberen in grote getalen achtergelaten als teken van rouw en medeleven. Na de ramp met de Titanic verkocht Margarete Steiff 600 Teddyberen voor het goede doel. Deze versie staat bekend als de Steiff Titanic Teddy Bear. Onlangs kwam er een onder de hamer en tikte $130,000 af! Reden genoeg om die oude knuffels van je grootvader eens wat nader te bestuderen, want veel speelgoedberen worden van generatie op generatie doorgegeven. Maar het kan nog gekker. In 2000 wisselde een Teddy Bear van Steiff, gemaakt in samenwerking met Louis Vuitton voor $2.1 miljoen van eigenaar. De koper was de bekende Koreaanse verzamelaar Jessie Kim, die het voor zijn Teddy Bear Museum aanschafte. Inmiddels zijn er meer dan tien Teddy Bear Museums in de wereld. Uiteraard een in New York en een in Duitsland, maar ook Rusland, Thailand, Japan, en Maleisië kennen hun eigen knuffelberen museum.

Maar het meest opvallende verschijnsel is zonder twijfel de Teddy Bear Toss. Fans van het ijshockeyteam Hershey Bears – de naam zegt al genoeg – gooien massaal teddyberen op het ijs als hun team het eerste doelpunt scoort bij een thuiswedstrijd. De vaak tienduizenden teddyberen – u leest het goed ja – die zo naar beneden komen, worden verzameld en gedoneerd aan kinderziekenhuizen om troost te bieden. Begin 2024 werd een nieuw wereldrecord gebroken met maar liefst 74,599 knuffels op het ijs. Het heeft de wedstrijd wel enigszins opgehouden, maar goed, het is voor het goede doel. Als je het niet gelooft, bekijk dan de beelden hieronder maar eens.

Ik kon het niet laten om mijn teddybeer toch even door de google image zoeker te halen om te zien of de gever toevallig toch een zeldzaam exemplaar aan mij had gegeven. Maar dat bleek niet zo te zijn. Inmiddels meer dan een halve eeuw oud is Ted wel vintage, net als ik. En dus zitten we weer samen. Ik schrijf wat, hij zit leunend tegen mijn computerscherm. Praten doen we niet, dertig jaar eenzame opsluiting in een schoenendoos doet je wel wat natuurlijk. Maar we begrijpen elkaar wel, zoals dat vaak gaat met oude vrienden.

Categories: @tetroberts, humor, Ontdekkingen, Reizen | Tags: , , , , , , , , , , ,

De Wereldbol

Image

Ik ben een groot liefhebber van atlassen en alles waarop wegen, eilanden en onuitspreekbare plaatsen staan aangegeven. De wereld is groot, en ik moet nog vele wegen volgen.

In Manilla ben ik al enige tijd op zoek naar een geschikte wereldbol. Die laat ik graag draaien in mijn hand, dat geeft iets van overzicht. Ineens zie ik ze staan. In een vitrine van Jade’s bookstore staat onze planeet aarde in verschillende soorten en maten: geografisch, staatkundig, met of zonder zeestromen. ‘Mag ik die even zien,’ vraag ik het meisje dat me besluit te helpen. Op haar naamplaatje staat Jam. ‘U ziet hem toch sir,’ antwoord ze bijdehand.

‘Maar ik moet weten of die goed ronddraait.’ Ik zeg er niet bij dat ik dan ineens stevig mijn vinger tegen de draaiende bol duw om te zien waar ik beland ben. Dat doe ik graag. Dan bedenk ik me hoe het daar zou zijn. Zelf op de Stille Oceaan stuit je altijd wel op een eilandje. Daar wil ik dan ineens naar toe.

De vitrine blijkt op slot. Jam gaat op zoek naar het sleuteltje maar van de sleutelbos waar ze mee terugkomt past er geen een. Dan komt de chef. Op zijn naambordje staat Beethoven. Ik vind dat een typische naam. Hij probeert het hele sleutelbosje nogmaals uit, maar kan Jam niet verbeteren.

‘In Nederland bewaren ze vitrine sleutels in de kassa,’ zeg ik. Beethoven en Jam controleren dat beide, maar het leidt tot niets. Ik heb inmiddels besloten dat ik de wereldbol wil hebben. Dat heb ik altijd als iets onbereikbaar wordt. ‘Wat kost die eigenlijk?’ vraag ik. ‘Dat staat aan de onderkant,’ zegt Jam.

Ik verlaat Jade’s Bookstore met lege handen terwijl Beethoven alle  medewerkers aan het zoeken zet.

Een paar weken later loop ik met twee boodschappen tassen voorbij als ineens Jam me op straat aanroept. ‘We hebben de sleutel gevonden!’ zegt ze met een lach. ‘Hij lag bovenop de vitrine.’ Dat ik daar niet aan gedacht heb. Ik koop de globe en een medewerker van Jade’s bookstore loopt met de wereld achter me aan tot ik thuis ben.

Even later zit ik op de bank met de globe op mijn schoot. Ik geef er een enorme draai aan en kijk verwonderd naar hoe de wereld in mijn handen rondtolt. Dan stop ik hem abrupt met mijn vinger. Volgend jaar ga ik  naar Nederland!

Categories: Ontdekkingen, Reizen, Steden | Tags: , , , , , , , , , ,

De Koe van Manilla

Ik zit in een taxi met drie aangeschoten Hollanders die ik amper een uur geleden heb leren kennen. Een bakker uit Stampersgat, een dame van de ambassade, en de enige wiens naam die ik onthouden heb; Bert, beroep onbekend. We rijden door Old Manilla, over de Del Pillar street. We zijn op zoek naar een cafe van een Hollander. Als herkenningspunt zou er een koe voor de deur moeten staan. Niemand is er ooit binnen geweest, maar iedereen heeft er van gehoord.

‘Het moet in deze straat zijn’, zegt Bert terwijl hij met kleine oogjes naar de langsschietende kroegen, bordelen en nachtwinkeltjes staart, ‘dat hoorde ik daarnet nog op de Dutch club. De KLM crew drinkt er ook altijd een biertje,’ voegt hij er aan toe. De bakker praat over de vele vakanties die hij samen met zijn vrouw naar de Filipijnen maakte voordat ze zich hier permanent vestigden. ‘…en toen reden we door deze straat en zag ik opeens een koe op de stoep,’ zegt hij hoopvol. ‘Geen echte hoor, van plastic denk ik.’

Niemand weet de naam van de kroeg. De dame van de ambassade spoort de chauffeur aan nog maar een keer te stoppen op een hoek van de straat. waar een groep Filipino’s staat. ‘Ask them about the cow!’ De chauffeur kijkt verbouwereerd en als hij ernaar vraagt lachen ze. Sommigen wijzen ergens heen, maar elk in een andere richting.

Ik ben de enige die in dit deel van de stad woont, erger nog, ik woon zelfs aan het begin van deze straat. Maar ik ben nooit helemaal naar het andere eind gelopen want dat is best ver. Ik ben hier dan ook nooit een koe tegengekomen. ‘Misschien omdat die hem overdag’s binnen zet…’ probeer ik, maar niemand antwoord.

De straat is eenrichtingsverkeer en niemand weet van een kroeg met een Hollandse eigenaar. De chauffeur wil niet meer vragen naar een koe. Iedereen kijkt me vragend aan want ik ben de ‘local’ hier. Wat nu?

Ingang Hobbit House

Ingang Hobbit House

‘Ik weet nog een kroeg met dwergen in deze straat,’ zeg ik. Dit kan de goedkeuring wegdragen. Even later lopen we door een enorme ronde deur van De Hobbit. Een lilliputter rinkelt een belletje en heet ons welkom. Even later worden pullen bier door heel kleine mensen op onze tafel geschoven. Het gezelschap is tevreden. Met zo’n verhaal kun je ook thuiskomen.

Meet the Hobbits

Meet the Hobbits

Categories: Flashback, Observaties, Ontdekkingen, Reizen, Steden | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Rugslag met terughoudendheid

Vanochtend lag ik al vroeg in het water. Elke tweede toren hier in de Dubai Marina heeft een zwembad en deze liggen dan ook als blauw gapende kraters tussen de wolkenkrabbers. Je kunt kiezen welke je wilt.

Naast elk bad ligt een lifeguard te slapen in zijn stoel. Dat is een compleet overbodige baan en dat weten zij zelf ook. Wanneer een kleuter in problemen komt kan deze gewoon opstaan, en het steekt met kop en schouders biven de waterspiegel uit.

De zwembaden zijn het woord eigenlijk niet waard. Vijf stevige slagen en je boort jezelf als een torpedo in de tegenoverliggende muur. Een rugslag is daarom gevaarlijk en daardoor doe ik deze slag met terughoudendheid, want zwemmen met een helm, dat gaat mij te ver. Maar het uitzicht is geweldig, en alleen maar drijven op je rug is meer dan de moeite waard.

Categories: Fotografie | Tags: , , , , , ,

Blog at WordPress.com.